Publicaties
Natuurlijke selectie van honingbijen tegen varroa?
Tjeerd Blacquière, bijen@wur
Eilandproef op Tiengemeten begint
Sinds varroa als parasiet zijn intrede heeft gedaan in de Europese honingbij heeft de imkerij zijn onschuld verloren, ze dankt het voortbestaan aan chemische bestrijding. Bovendien zijn overal de wilde volken honingbijen bezweken.
Her en der zijn onderzoekers en koninginnentelers begonnen met selectie van bijen die meer resistentie tegen varroa bezitten. Soms heel gerichte selectie (hygiënisch gedrag, tragere reproductie van de mijten), soms minder gericht (gewoon de beste overlevers aanhouden). Ondertussen lijkt in de natuur ook selectie te zijn opgetreden: op sommige plekken in Amerika en in Frankrijk zijn langlevende wilde volken beschreven (Seeley 2007, Le Conte et al., 2007). In Nederland houden sommige imkers al jaren bijen zonder varroa te bestrijden. Hoe ver kunnen we komen met varroa-resistentie, en wat is de beste weg om dat doel te bereiken?
Als je nog niet weet waarop het succes van varroa berust, noch waar de zwakke plekken van de mijt zitten, is het onmogelijk te weten waarop je moet selecteren. Is het hygiëne (uitruimen van besmette cellen), is het verminken van mijten, is het wegvliegen van werksters met mijten? Er zijn wel ideeën over, maar hoe weet je wat de juiste zijn? Bovendien kan het kan ook goed zijn dat ‘zwermtraagheid' en andere door selecteurs gewenste eigenschappen gunstig zijn voor de mijten. Als je die eigenschappen op voorhand erin wilt houden, hoe kom je dan ooit te weten wat de zwakke plek van de parasiet is, waarop je dus moet selecteren? Of wat is de sterke kant van de bij?
Eilandexperimenten: Gotland bijen
Op een aantal plekken hebben onderzoekers groepen bijenvolken naar eilanden gebracht, en gekeken welke volken, ondanks de besmetting met varroa, overleefden. Doordat het op eilanden gebeurde werd eventuele selectie van de beste genen niet weer teniet gedaan door inbreng van genen door darren van buiten. Het best geslaagde voorbeeld is het onderzoek van Ingemar Fries op Gotland (Zweden; Fries et al., 2005).
Ondanks zware verliezen aan volken in de eerste paar jaar bleef daar uiteindelijk een klein deel van de volken in leven. Deze volken doen het weer redelijk goed, ondanks varroa. Waren deze volken nu aangepast aan varroa, resistent?
Vergelijken van Gotland bijen met andereKoninginnen van Gotland zijn op diverse plekken ingevoerd in volken, en vergeleken met volken met andere koninginnen (ongeselecteerd). In zo'n vergelijkingsproef vonden Fries en Bommarco (2007) dat Gotland bijen minder broed aanzetten en dat er bovendien een kleiner deel van de mijten in het gesloten broed zat (dus meer mijten op de bijen). Ook PPO Bijen heeft in 2005 18 jonge bevruchte koninginnen van Gotland ontvangen, en ingevoerd in volken in Mini Beuten. Van deze 18 werden 17 aangenomen, maar na de winter van 2005-06 bleken er nog 11 over te zijn. Hiermee zou de proef worden uitgevoerd, maar in het voorjaar bleek dat het merendeel van de Gotland volken besmet was met Europees vuilbroed. Het bleek overigens dat ook in deze volkjes, net als in de proef hierboven, veel minder mijten in het gesloten broed zaten dan bij de controle, maar het is niet uit te sluiten dat dit door het Europees vuilbroed kwam. Na nog een herstart geprobeerd te hebben, met weer een EVB uitbraak, zijn we in het voorjaar van 2007 gestopt met deze koninginnen. Wel hebben we de broedafleggers van de volken gebruikt om opzetters met nieuwe koninginnen te maken.
Nog een eilandexperiment: Tiengemeten
Van 2008 tot 2010 (en hopelijk langer) hebben wij een eilandexperiment in het onderzoekprogramma opgenomen. Dat eiland experiment lijkt een beetje op dat van Fries op Gotland, maar is toch wezenlijk anders. Het uiteindelijke doel is niet om een varroa-resistente bij te ontwikkelen, maar te kijken naar het mechanisme: wat gebeurt er met mijten en bijen als je ze (min of meer) aan elkaars lot overlaat.
Het is de bedoeling dit experiment uit te voeren op het eiland Tiengemeten, in het Haringvliet. De groep volken waar we mee starten heeft een brede genetische achtergrond (komt bij veel verschillende imkers vandaan), en wordt in 2008 opgezet. Om aan het eind te kunnen vergelijken met de eigenschappen van het oorspronkelijke materiaal wordt ook een groep als controle aangehouden op een andere plek. In die volken wordt varroa goed bestreden. In de proef zal zo min mogelijk worden ingegrepen in de volken. Wel gaan we de ontwikkeling van bijen en broed, en van de mijtenpopulatie volgen.
Pilotexperiment in de Biesbos
Om alvast op voorhand wat methoden uit te testen hebben we de groep opzetters uit de Gotland-proef (Gotland nateelt en controle-nateelt) in de Biesbos geplaatst in 2007. We wilden kijken hoe goed de volkjes onwikkelden, hoe snel varroa toenam, en of er handige trucs waren te bedenken om varroa te tellen zonder ze dood te hoeven maken. De groep startte met 26 opzetters, waarvan 16 konden worden ingewinterd in September. De besmetting met mijten was toen ongeveer 5% gemiddeld (5 mijten per 100 bijen) in broedloos gemaakte volkjes.
Gotland nateelt overleeft beter. Van de 16 ingewinterde volkjes bleken er 12 moergoed uit de winter te komen. Wat schetst onze verbazing toen bleek dat negen daarvan Gotland nateelt waren, en slechts 3 controle. Wat de reden daarvoor is weten we niet, maar het was zeer opvallend. Vanuit deze volken is in juni weer een serie van 25 opzetters gemaakt, die nu op Tiengemeten geplaatst zijn. Weer als een pilot om te kijken hoe het gaat en om methodes te testen. Pas volgend jaar start dan de eigenlijke "natuur-selectieproef" op het prachtige Natuurontwikkelingsproject Tiengemeten.
Literatuur
Conte, Y. le, Vaublanc, G. de, Crausier D, Jeanne F, Rouselle J-C & Bécard J-M 2007. Honey bee colonies thta have survived Varroa destructor. Apidologie 38, 566-572.
Fries I, Imdorf A & Rosenkranz, P 2006. Survival of mite infested (Varroa destructor) honey bee (Apis mellifera) colonies in a Nordic climate. Apidologie 37, 564-570.
Fries, I & Bommarco, R 2007 Possible host-parasite adaptations in honey bees infested by Varroa destructor mites. Apidologie 38, 525-533.
Seeley T D 2007. Honey bees of the Arnot Forest: a population of feral colonies persisting with Varroa destructor in the North Eastern United States. Apidologie 38, 19-29.
DE KANITS KORF
Het lijkt me dat met name Freek en Ria kunnen terugkijken op een zeer geslaagde eerste open dag van hun nieuwe werkplek: de Werkbij. Prachtig weer, ruime belangstelling en volop handel. En natuurlijk alle kraampjes. En die zijn weer een ontmoetingsplaats voor leden en niet leden van de verschillende bijenhoudersverenigingen. Natuurlijk sta je dan weer even iets langer stil bij het standje van je eigen afdeling en daar viel me een korf op die ik niet kende. Nu is dat ook weer niet zo bijzonder maar ik denk dat ik niet de enige ben die de Kanits korf nog niet kende. Gert Oudendorp is gelukkig altijd bereid tekst en uitleg te geven. Een aantal jaren geleden maakte de afdeling uit Uddel een reisje naar de Lunenburgerheide in Duitsland. En als echte heide-imkers waren ze natuurlijk gespitst op nieuwigheden op het gebied van het efficiënt binnenhalen van zo veel mogelijk heidehoning. En toen viel de Kanits korf op door zijn bouw en met de mogelijkheid om de bedrijfsmethode zo aan te passen dat er meer (raat) honing gehaald kan worden dan met een gewone korf. Er werd een korf gekocht en door een vakman nagemaakt. Zo op het oog lijkt de korf wat op een vierkante korf maar dan wat groter. Ook de strostrengen zijn dikker ; in totaal 11 stroranden van 5 cm dik. Vanaf de bovenkant gerekend zie je eerst een houten deksel met schanieren bevestigd aan een brede houten rand. In deze rand zijn gaten geboord waar de strengen aan bevestigd kunnen worden. Je kijkt dan in wat je de honingkamer zou kunnen noemen. Het bijzondere is dan de raampjes (9 stuks) los op een rooster staan wat daaronder bevestigd is aan de strengen. Ze staan er dus gewoon los op. De vorm van de honigraampjes is wat taps en vier centimeter op z'n breedst , je zou kunnen zeggen: echt bedoeld voor spekramen. Er zit een zaagsnede in zodat je een kleine voorbouw in kan voegen. Ook in het rooster onder de honingraampjes zijn zaagsneden gemaakt waardoor de bijen vanuit de kleine voorbouw helemaal naar beneden kunnen uitbouwen. Vier spijlen zijn in de broedkamer aangebracht ter ondersteuning van de onderste uitbouw van de ramen. Een mooie stevige korf die natuurlijk rondom een speciaal voor deze korf gemaakte mal wordt gevlochten.
En dan de bedrijfsmethode die tot een grotere opbrengst moet leiden. Bij het heide imkeren ligt de nadruk natuurlijk op een zo sterk mogelijk volk tijdens de heidedracht. Gert noemt het de 40 dagen tijd. De tijd dus tussen de opkweek van de moer en de dracht. En dat gaat dan als volgt:
1. Een jonge, nog niet bevruchte moer (een moerzwerm) wordt met haar volkje in de korf gezet. In de korf zitten dan nog geen honingraampjes. Over het rooster boven de broedkamers leg je een kleedje met een gat voor het voedingsbakje (dit kleedje leg je later over je honigkamers onder het deksel). Je begint met voeren van de bijen tot een week voor de heidedracht. In de laatste week kan de honing die dan in de broedkamer zit nog worden verzegeld voor de heidedracht begint. Het voederbakje past precies op de plaats waar later de honingraampjes komen. Het is duidelijk waarom het dus om een jonge moer moet gaan, want anders heb je natuurlijk zo weer een zwerm omdat het volk de korf uitgroeit.
2. We plaatsen de honingkamers in de korf en zetten de korf op de hei. Naast de korf zetten we twee ronde korven. Een links en een rechts. We laten de dames rustig invliegen en honing verzamelen.
3. We halen de linker (of rechter) korf weg tegen een uur of elf, dus als ze volop in actie zijn.
De korf zetten we verder weg of nemen hem mee. De vliegbijen zullen nu gaan invliegen op de Kanitskorf. Je kunt de korf hiervoor iets verzetten maar echt nodig is dat niet.
4. Na ongeveer een week herhaal je dit met de andere korf. De Kanitskorf heeft dus nu van drie volken de meeste vliegbijen overgenomen voor een optimale dracht.
5. Bij controle van de verzegelde ramen halen we vanuit het midden bv. drie ramen met verzegelde honing weg. We schuiven nu de ander raampjes op en vullen de gaten vanuit de zijkanten aan. Dus we plaatsen de lege raampjes niet in de open plaatsen in het midden maar altijd aan de zijkanten . Dit om te voorkomen dat de andere ramen niet, of niet volledig verzegeld worden. De ervaring van de Duitse collega's is dat je de opbrengst van raathoning met sprongen ziet toenemen.
Later ben ik nog even bij Gert thuis wezen kijken waar hij een Kanitskorf heeft staan met bijen. Nu ik dit schrijf is het eind juni dus de bijen worden nu gevoerd. Van onder de korf is goed te zien dat de raten rondom de spijlen prachtig zijn uitgebouwd. Ik kan me goed voorstellen dat de Kanitskorf bij de heide-imkers in trek gaat komen. Dit jaar zullen we zien of theorie en praktijk ook hier in elkaars verlengde liggen. En mocht dit zo zijn dan denk ik dat het aantal aanmeldingen voor het korfvlechten bij Gert Oudendorp sterk zal toenemen. Vergeet alleen niet om een timmerman mee te nemen want het maken van de raampjes en de roosters vraagt wel enige deskundigheid!
Kleis Hensen
HOORNAAR, EEN SUPERWESP
De hoornaar duikt steeds vaker op in ons land. Er wordt beweerd dat de steken van deze"superwesp"dodelijk kunnen zijn, maar dat is niet waar. De Hoornaar oogt gevaarlijk, maar is beslist niet agressief.
Ons klimaat wordt warmer, daardoor heeft de hoornaar kans gezien om vanuit het warme zuiden op te rukken naar ons land. Vooral op de zandgronden van Drenthe en de Achterhoek wordt in de zomermaanden steeds vaker waargenomen. Een vergissing is uitgesloten, want deze superwesp is met geen enkele andere wesp te verwarren. Zij is twee keer zo groot als een
"gewone"wesp en bromt veel zwaarder. Kenmerkend naast de grootte is de opvallende rode kleur aan zijn kop.
Geen "Killerwesp"
De komst van Europa's grootste wespensoort heeft geleid tot sensatieberichten in de kranten. Zij berichten over de hoornaar dat deze met drie steken een mens kon doden en met zeven steken zelfs een paard!. Volgens biologen is dit pure onzin. De hoornaar is beslist niet agressief, integendeel, onnodige conflicten gaat zij het liefst uit de weg. Mocht u onverhoeds door een hoornaar gestoken worden dan hoeft u niet te vrezen voor uw leven. Uit onderzoek is gebleken dat haar gif minimaal anderhalf keer zwakker is dan dat van onze bijen. Wel bevat het vijf procent acetylcholine, waardoor de steek zeer pijnlijk is en een vervaarlijke rode bult veroorzaakt. Dat laatste is heel vervelend, maar de hoornaar is voor verreweg de meeste mensen beslist geen "Killerwesp". Alleen mensen met een speciale allergie moeten heel erg oppassen voor deze steken, maar dat moeten ze ook voor steken van andere wespen. Van een hoornaar die zomaar ergens rondvliegt, heeft niemand iets te vrezen. Ze lijkt zelfs niet geïnteresseerd te zijn in uw boterham met jam.
In de buurt van het broednest is wel enige voorzichtigheid geboden. Binnen een afstand van twee tot drie meter is het verstandig om rustig te bewegen, geen harde geluiden te maken en niet in de aanvliegroute te gaan staan. Houdt u rekening met dat laatste dan prikkelt u de hoornaars niet hun broednest te verdedigen.
Volkopbouw bij de hoornaar
Hoornaars zijn net als alle andere wespen sociaal levende insecten, elk voorjaar start de koningin met de opbouw van een nieuw volk. In het najaar volgt dan de volledige ondergang zij het op enkel jonge koninginnen na. Zij overwinteren als enkeling onder de grond. Gebruikmakend van Glycerol, een bekend antivries, behoed hen voor bevriezing. Zo'n koningin, die iets kleiner is dan vier centimeter, wordt in april- mei weer actief. Ze doet dan nieuwe krachten op door aan boomsappen te sabbelen en vliegen te eten. Tegelijkertijd zoekt ze een geschikte plek om een broednest te beginnen. Van nature zal dat een bv een holle boom kunnen zijn, maar het kan ook gebeuren dat ze ergens in een schuurtje een plek vindt om een nestruimte op te zetten.
De koningin bouwt haar nest van een kneedbar papje, zij maakt dat van het buitenste laagje dat ze van rietmatten of verweerd hout schraapt en vervolgens vermengt met speeksel. Het nest bestaat in het begin uit één horizontale raat, met daarin een tiental cellen die ondersteboven hangen aan een spil (parapluvorm). In deze cellen komen de eerste eitjes. Daaruit komen larven die hun eigen cel dichtspinnen en na twee weken verpoppen. Na nog een periode van twee weken worden dat de eerste werksters, duidelijk kleiner dan de koningin. In het begin is de taak van de werksters het broednest te verwarmen, daarna helpen ze de koningin met verdere uitbreiding van het broednest en het verzorgen van de larven. In de loop van het seizoen volgen dan de darren en aan het einde van de zomer worden de jonge koninginnen geboren.
Ze voeren de larven met een soort vleespapje, dat maken ze van de vermalen borststukken van insecten, vooral vliegen en bijen die binnen een straal van anderhalve kilometer rond het broednest worden gevangen. De overige delen van de prooi worden afgeknaagd en wordt ter plaatse achter gelaten. Ook wordt er door de werksters water gehaald, zeker op het heetst van de dag, deze wordt dan uitgespuugd over de broedcellen waardoor er enige verkoeling ontstaat Zelf eten de werksters sappen uit twijgen van vooral eiken en essen, als ze bij regen niet uitvliegen eten ze een soort "honing" die de larven opbraken. Aan het einde van het seizoen, ook voor de hoornaar eindigt dat eind juli/begin augustus, er minder of geen larven meer zijn ontstaat er een tekort aan "honing" en komen ze de zoetstof bij ons halen.
Nest met dependance
In het begin van de zomer wordt een hoornaarnest bewoond door 25 tot 30 werksters. Die hebben het broednest inmiddels uitgebreid tot vier ronde horizontale raten, onder elkaar verbonden door een middelsteun en door een buitenwand. Een buitenwand die we kennen we als de wespen bal die aan het plafond hangt of in de struiken is gebouwd. Nestkasten van vogels is ook een geliefde broedplek. Als het beginnest helemaal vol in gebruik is wordt er voor aanvullende huisvesting gezorgd. Soms wordt gekozen voor een dependance die pal naast het beginnest wordt gebouwd maar soms ook verder weg. Zodra de tweede nestgelegenheid klaar is wordt de koningin overgebracht en kan zij haar hoofdtaak, het leggen van eitjes voortzetten. In augustus is het volk uitgegroeid tot zo'n 400 tot 700 hoornaars, in die tijd begint de koningin met het leggen van eitjes waaruit vruchtbare vrouwtjes en mannetjes komen. Aanvankelijk hebben zij geen duidelijke taak en worden gevoerd met veel vlees. Na voldoende voer te hebben opgenomen (wintervoer) vliegen ze uit om elkaar te bevruchten. Na bevruchting sterven de mannetjes en zoeken de toekomstige koninginnen een warme winterplaats. In het broednest legt eind november de laatste hoornaar het loodje
In de daarop volgende lente als de temperaturen boven de 9 graden stijgen, de dagen langer worden en het langer licht is komen de koninginnen tevoorschijn en maken een start met een nieuw broednest maw het hele verhaal begint weer opnieuw.
Nest verplaatsen?
De hoornaar is een wettelijk beschermd insect, dat houdt onder meer in dat het niet is toegestaan hun nest te vernietigen. Een niet al te groot nest dat op een onhandige plaats hangt, mag wel worden verplaatst. Het inroepen van een ervaren imker daarbij is de beste oplossing hiervoor. Lukt dat niet, dan zou u de onderstaande methode kunnen volgen:
- stop het nest et zoveel mogelijk bewoners in een plastic zak en leg deze in de koelkast tot de hoornaars wat zijn gekalmeerd
- hang het nest daarna met ijzerdraad in een nestkast, holle boom of in een andere holte
- besprenkel of voorzie het broednest van suikerwater of honing, zodat de verstoorde hoornaars weer wat op krachten kunnen komen
ALS ER GEEN BIJEN MEER OP DE AARDE ZIJN, HEEFT DE MENS NOG VIER JAAR TE LEVEN
In alle cursussen over drachtplanten en bestuiving door honingbijen wordt uitgebreid ingegaan op deze uitspraak van de alom gewaardeerde Albert Einstein. Het zet je wel even aan het denken over ons bezig zijn met onze geliefde hobby: de bijen. Hopelijk kunnen wij als imkers de afbraak van de leefomgeving voor alle bestuivende insecten, de honingbij in het bijzonde, vertragen. En wel zodanig, dat het nooit zover zal komen dat er geen bijen meer zullen zijn.
Zonder de bijen liggen er geen appels, pruimen of komkommers meer in de winkels, kunnen zonnebloemen, mosterdzaad of soja geen zaden meer vormen en zal het drinken van koffie tot het verleden behoren. Bijen vertegenwoordigen een enorme economische waarde en zijn een goede indicator hoe het gesteld is met ons leefklimaat. Zij zorgen voor 75% van de bestuiving van gewassen. De laatste jaren gaat het niet goed met deze bijzondere diertjes.
Vooral de bijensterfte staat de laatste tijd volop in de belangstelling. Volgens de deskundigen is de bijensterfte vooral een gevolg van monoculturen in de landbouw en het gebruik van pesticiden. Niet voor niets heeft professor Frans Jacobs uit België (RUG) recent de lokale overheden opgeroepen om maatregelen te treffen de bijenpopulatie op peil te houden.
Voor ons, imkers, is de lokale overheid het medium bij uitstek om concrete acties te ondernemen, die het op peil houden van de bijenpopulaties kunnen garanderen. De te nemen maatregelen en acties zijn gericht op de burgers, op de land- en tuinbouwers, natuurverenigingen en vooral naar de plantsoenendienst van de gemeenten zelf .Door het aanplanten van vooral linden, acacia's, kunnen de gemeenten hun voorbeeldfunctie gestalte geven. Vooral de verenigingen als IVN, Groei- en Bloei, maar zeker ook imkerend Nederland zal hierin hun steentje moeten bijdragen.
De honingbij.
De honingbij is een insect, dat leeft in groepsverband in korven of kasten. Op zomerse topdagen kan een volk wel uit meer dan 50.000 bijen bestaan. Oorspronkelijk trokken bijen in het wild rond, maar de mens ontdekte de positieve eigenschappen van dit diertje en ze werden in korven gehouden door imkers. In Vlaanderen zijn wilde bijen zo goed als verdwenen. Dankzij de imkers worden duizenden bijenvolken verzorgd en krijgen ze volop de gelegenheid om te overleven en hun bestuivende kwaliteiten waar te maken.
De honingbij staat vooral bekend als leverancier van de zoete lekkernij honing, daarnaast is de bij ook leverancier van stuifmeel, propolis, bijenwas (kaarsen) en koninginnebrij. Bij het verzamelen van nectar en stuifmeel zorgt de bij ervoor dat er duizenden bloemen bevrucht worden. Heel wat land- en tuinbouwteelten kunnen niet zonder de bij. Een bezoek van de bij is de garantie, dat bomen en planten vruchten vormen of zaden dragen. Daar de bij verantwoordelijk is voor 75% van de bestuiving van gewassen, is zij een onontbeerlijke schakel in het agrarisch-economisch systeem. Dat is waarschijnlijk de minst gekende, maar meest belangrijke bijdrage die de honingbij ons levert.
Het probleem: De bijensterfte.
De laatste jaren treedt er opvallend veel bijensterfte op. Volgens professor Frans. Jacobs zou die in België in 2008 40% bedragen. Ook in de buurlanden treedt er een enorme bijensterfte op. (Duitsland 20%, Luxemburg 18%, Nederland 15%, Frankrijk 30% )
De oorzaak van deze sterfte is, zoals eerder is genoemd, vooral het gevolg van de monoculturen in de landbouw in combinatie met het gebruik van pesticiden. De grote monoculturen zoals bij ons de maïsteelt, of in Frankrijk de zonnebloementeelt zorgen ervoor dat bijen een zeer eenzijdig menu krijgen voorgeschoteld, wat uiteindelijk leidt tot algemene zwakte van de dieren. Het ontbreken van variatie in het voedselaanbod van de bijen ( bv. paardenbloemen, klaver,linde, acacia, enz.) heeft deze diertjes dusdanig verzwakt, dat de veel gebruikte pesticiden voor velen de genadeslag is. Om een bijenvolk te laten overleven moet het jaarlijks 50 kg stuifmeel kunnen verzamelen. Imkers verplaatsen hun bijenkasten geregeld naar plaatsen waar veel stuifmeel voorhanden is, zoals koolzaadvelden of boomgaarden in de Betuwe of de Flevopolder.
De economische waarde van de honingbij.
Onderzoek door het laboratorium voor zoöfysiologie van Frans Jacobs heeft vastgesteld, dat de honingbijen een enorme economische waarde hebben. Op wereldschaal komen honingbijen na runderen op de tweede plaats inzake toegevoegde waarden aan de voedselindustrie. In Italië werd berekend dat de opbrengst van de bijen vergelijkbaar is met het Fiat-Concern. In België wordt de economische waarde geschat op 500 miljoen Euro. Jacobs klasseert de bijen, gezien het (indirecte) economisch belang voor Vlaanderen, op de vierde plaats, na de koe, het varken en de kip.
De ecologische waarde van honingbijen.
Honingbijen zijn een perfecte waardemeter voor de toestand van het leefmilieu. Bij vervuiling kunnen bijenkasten op verschillende afstanden van de vervuilingsbron worden geplaatst om aan de hand van het stuifmeel na te gaan welke flora in een gebied overleeft of niet. Deze techniek werd reeds toegepast na de kernramp in Tsjernobyl. Voor de problematiek van het cadmium in Noord-Limburg (België) zouden deze technieken ook kunnen toegepast worden.
Geen bijen, geen appels.
Alle tuinbouwgewassen, die in kassen en onder glas geteeld worden, kunnen doodgewoon niet zonder de bij. Zonder bezoek van de bijen worden de bloemen niet bevrucht en vormen er zich geen vruchten. De appel, de kers, wordt voor 90% bestoven door de bijen. Voor aardbeien is dat 80%, voor de peer en framboos 70%. Maar ook groenten als komkommer, aubergine, paprika en peulvruchten hebben baat bij het bezoek van het bijtje. Bijenbezoek betekent dat de teelt toeneemt in gewicht en kwaliteit als de bijen zorgen voor 100% bestuiving. Honingbijen zijn echte bestuivers, vooral door de grote aantallen, op elke tijdstip en op elke plaats waar bestuiving moet plaatsvinden. Vruchten en zaden die elders worden gekweekt, kunnen niet zonder bijen. Denk maar aan zonnebloemzaden voor de zonnebloemolie, de koffieboon voor ons dagelijks kopje koffie, of de heerlijke watermeloenen die in de zomer onze dorst lessen.
Het op peil houden van de bijenpopulaties.
Als we de bijenpopulatie bij onze imkers op peil willen houden dan dienen er maatregelen getroffen te worden. Hierbij dient de nadruk gelegd te worden naar planten en bomen, die veel stuifmeel produceren. Stuifmeel is naast nectar het belangrijkste voedsel voor de bijen. Daarnaast dient er ook naar het aspect variatie gekeken te worden. Door een zo gevarieerd aanbod aan voedsel voor bijen te voorzien, wordt hun natuurlijke weerstand vergroot.
Ook het aspect tijd is van belang. Het inzaaien van bermen of akkers zijn korte termijn maatregelen,waar bijen meteen baat bij hebben. Bij het aanplanten van lindebomen, acacia's en andere bomen of struiken, worden de voordelen op langere termijn merkbaar.
Tegen de achtergrond van laatstgenoemde problematiek dienen vooral de imkers een duidelijk bijvriendelijk beleid te ondersteunen. Ondersteunen betekent praten met gemeenten, groenverenigingen, de particulier, landbouwers, siertuinbedrijven, door voorlichting op scholen en ( jeugd)verenigingen te ondersteunen met materiaal en door zelf daar aanwezig te zijn.
THYMOL TEGEN VARROA:
DUUR MIDDEL OF CREATIEF DOE-HET-ZELVEN?
Sommige plantaardige etherische oliën blijken een mijtendodende werking te hebben, met inbegrip van de varroamijt. Vooral thymol, één van de componenten van tijmolie, is grondig getest en blijkt goed te werken. Dat heeft geleid tot een aantal commerciële producten op basis van thymol, met een toelating en gebruiksaanwijzing. De beste tijd van toepassen is augustus. Deze middelen werken goed, maar het woord commercieel geeft al aan: u moet in de buidel tasten.
Thymol is in kristalvorm niet zo duur, en het hoeft alleen maar in de bijenkast te verdampen. Zou je het dan niet zelf kunnen doseren?
Tjeerd Blacquière, PPO Bijen
Zelf doseren, waarom niet?
Zelf doseren: een aantal imkers past dit al toe, losse kristallen in een speciaal raampje of ingepakt in antiworteldoek, en er vallen mijten dood op de varroalade. Dus het werkt. Maar werkt het ook goed? Anders gezegd: hoeveel mijten blijven achter? Onlangs werd ik door een imker gebeld die wilde weten hoe en met welke dosering hij thymol moest toepassen. Ik heb hem verteld dat ik dat niet wist, en dat PPO Bijen dat ook niet wilde gaan uitzoeken, omdat dat heel veel werk zou zijn, terwijl het al uitgezocht is door de firma's die genoemde producten leveren. De imker was erg teleurgesteld dat PPO Bijen hem hiermee niet behulpzaam kon zijn: ‘ik heb 35 volken, weet u wel hoeveel dat kost om die met Thymovar te behandelen?' Ik heb hem niet kunnen overtuigen, maar vraag me wel af hoe dat straks met de honing van 35 volken moet: weet u wel hoeveel dat kost, 800 honingpotten met deksel?
Om een toelating als diergeneesmiddel te verkrijgen moet een leverancier een enorm dossier aanleveren met proeven die aantonen dat het middel werkt, betrouwbaar is, niet gevaarlijk is voor het doelorganisme (de honingbij) en geen gevaar voor de volksgezondheid oplevert. Ten behoeve van de toelatingsautoriteiten van diergeneesmiddelen heeft PPO Bijen vorig jaar een dergelijk dossier beoordeeld. Als PPO Bijen voor de bellende imker een even grondig advies voor zelf doseren zou moeten opstellen zouden we zo maar een paar jaar en een paar honderdduizend €uro verder zijn.
Er zijn drie producten in de handel op basis van thymol: Apilife VAR, Thymovar, Apiguard. Deze zijn grondig getest. De eerste twee bevatten thymol kristallen in een kunststoffen drager (viscose sponsje), de laatste in een gel. Zowel gel als sponsje zijn er op gericht de thymol gelijkmatig in de bijenkast te laten verdampen met een concentratie die voldoende hoog is om meer dan 80% van de mijten te doden, en die voldoende laag is om meer dan 90% van de bijen ongemoeid te laten. Voor verdamping is de oppervlakte van het verdampende sponsje heel bepalend, veel meer dan de hoeveelheid thymol in het sponsje. Vandaar dat bij een groter volk een extra (half) plaatje moet worden toegevoegd. Hetzelfde geldt voor de gel van Apiguard. Ook als na een week de helft van de thymol al uit de plaatjes verdampt is, gaat de verdamping nog met ongeveer dezelfde snelheid voort (nog steeds dezelfde verdampingsoppervlakte). Dat is met losse kristallen heel moeilijk te bereiken.